|
FITIS
 |
 |
| Kenmerken: |
Bijna 11 cm lang, 8-10 g zwaar. De fitis heeft een olijfbruine bovenkant en een witte onderkant met een vleugje geel. Hij heeft een gelige streep boven het oog. De poten zijn meestal lichtbruin, maar kunnen ook donker zijn. |
| Geluid: |
Roept tweetonig ‘huwiet’. De ietwat zwaarmoedige zang is een zacht klinkende cadens, die met een typerende geluidsfranje afsluit. |
| Leefruimte: |
De fitis leeft in grotere tuinen, boomrijke parken, lichte bossen en bosranden, ook in oeverbebossing aan meren en rivieren. Van laagland tot hooggebergte. Als zomervogel is de fitis van april tot september in Midden Europa te vinden. |
| Verspreiding: |
De soort is verspreid in grote delen van Midden en Noord Europa en in Azië. |
| Biologie: |
De fitis eet insecten, hun larven, spinnen, in het najaar ook bessen. Het nest lijkt op een bakoven van gras en andere plantendelen en is dicht aan de grond goed verstopt tussen planten en lage bebossing. Het vrouwtje legt vanaf begin mei 5-7 wittige, roodgevlekte eieren en broedt een of twee keer per jaar. |
| |