|
Koekoek
 
| Kenmerken: |
32-34 cm lang. Blauwgroene bovenkant en keel, onderkant met een wittige basiskleur, fijn donker gestreept. Staart donkerder, met witte vlekken en aan het einde rond. In de vlucht vallen de spitse vleugels en de lange staart op. Mannetjes en vrouwtjes zijn gelijk gekleurd. Af en toe komen bruine exemplaren voor (bruine fase). Solitair. |
| Geluid: |
Als zang een tweelettergrepig ‘koe-koek’, soms ook een drielettergrepig ‚koe-koe-koek’, meestal met maar enkele seconden tussenpauze herhaalt. Waarschijnlijk het bekendste vogelgeluid in Europa. Daarnaast sissend geroep en van de vrouwtjes galmende ‚kwi-kwi-kwi’-roepseries. |
| Leefruimte: |
In parken en bossen en in met bosjes, heggen en kreupelhout bedekte open landschappen. |
| Verspreiding: |
Over grote delen van Europa verspreid, in Azië en Afrika (behalve in de Sahara en het Kongobekken). |
| Biologie: |
Eet vooral klein gedierte. Een van de weinige Europese vogels die geen eigen nest bouwt, laat het uitbroeden van zijn eieren en de opvoeding van zijn jongen over aan andere vogels. Het vrouwtje legt haar eieren in het nest van verschillende andere vogelsoorten (kleinvogels tot de grootte van een lijster). |
| |