|
Withalsvliegenvanger

| Kenmerken: |
Bijna 13 cm lang, ca 13 g zwaar. Het mannetje is in de broedtijd uitgesproken contrastrijk gekleurd: de bovenkant zwart, onderkant wit, witte halsband, witte vlek op voorhoofd en vleugels. Het vrouwtje is grijsbruin aan de bovenkant, heeft kleinere vleugelvlekken en is veel minder contrastrijk gekleurd. |
| Geluid: |
De zang bestaat uit korte, vrij hoge, scherpe, niet al te snelle strofen, die als ‘truu-tsit-truu-tsit’ klinken. Daarnaast hoort men vaak een fijn ‘whit’ en ‘tsjik’ of ‘fieup’- geluid. |
| Leefruimte: |
De withalsvliegenvanger leeft in loofbossen, parken, kerkhoven en boomgaarden indien er genoeg mogelijkheden zijn om zijn nest te bouwen. In Midden Europa zomervogel van april tot september. |
| Verspreiding: |
De soort is verspreid van oostelijk Midden Europa tot Midden Azië. |
| Biologie: |
De vogel jaagt bijna altijd vanuit een uitkijkpost op vliegende insecten. Bouwt zijn nest chaotisch in holen, van grashalmen, bladeren en mos. Het vrouwtje legt 3-8 effen, vaalblauwe eieren. Ze broedt eens per jaar vanaf mei. Het mannetje kan meerdere partners hebben. |
| |