|
Raaf
 
| Kenmerken: |
64 cm lang. Spanwijdte: 1,20 m. Verenkleed meestal zwart, mannetjes en vrouwtjes zijn gelijk gekleurd. Lompe snavel, wigvormige staart. |
| Geluid: |
men hoort een diep ‘krruk’-geroep. Daarnaast een veelvoud aan andere roepen, o.a. een metaalachtig ‚klong’. Als zang een zacht, afwisselend gekwetter, bestaande uit verschillende tonen. Snavelgeklap en vluchtgeluiden als instrumentaal geluid. |
| Leefruimte: |
Leeft in licht beboste landschappen, van hooggebergte over middengebergte tot toendra en zeekusten. In Midden Europa vindt men de raaf met name in de Alpen tot in de hoogste regionen. Jaarvogel, maar maakt buiten de paringstijd vaak verre omzwervingen. |
| Verspreiding: |
Van noordelijk Skandinavië, Schotland en IJsland tot ver in het zuiden naar de zuidelijkste rand van de Sahara. Daarnaast in bijna heel Azië en Noord Amerika. |
| Biologie: |
Het grote nest wordt op hoge bomen of in rotswanden gebouwd. Al in maart leggen de vogels 4-6 eieren; basiskleur is lichtblauw tot groenbruinig, donker- tot olijfbruin gevlekt. De eieren worden alleen door het vrouwtje gedurende ca.3 weken uitgebroed. |
| |