|
Ekster
 
| Kenmerken: |
Inclusief de opvallend lange, gelaagde staart 46 cm lang. Verenkleed contrastrijk zwart-wit gekleurd, afhankelijk van de lichtinval metaalachtig groen glanzend. Mannetjes en vrouwtjes hebben dezelfde kleur. Verenkleed van de jongen nog zonder metaalglans. Fladderende vlucht, op de grond huppend. |
| Geluid: |
Luid en opvallend geroep als ‘tsjak, tsjak, tsjak’, alsof men met een halfvol luciferdoosje schudt. In de paringstijd ook afwisselend gebabbel, bestaande uit verschillende geluiden. |
| Leefruimte: |
Open stukken met boomgroepen, struikgewas, parken en tuinen; als gevolg van de cultuur ook steeds meer op door mensen bewoonde plekken te vinden. |
| Verspreiding: |
In bijna heel Europa, in verre delen van Azië, delen van Noord Afrika en Noord Amerika. |
| Biologie: |
Veelzijdig voedingspatroon, insecten en ander klein gedierte, amfibieën, eieren en vogeljongen, vruchten en zaden, afval en aas. Eksters bouwen grote nesten uit grote takken en twijgen, inclusief kogel- en eivormige bouwwerken met ingang aan de zijkant, in meer of minder hoge bomen. 6-7 eieren, geelgroenige of grijze basis met bruine en grijze vlekken, kleurstelling zeer variabel. Het vrouwtje broedt vanaf april, éénmaal per jaar. |
| |